maandag 9 februari 2009

Muziek of me ziek melden

Afgelopen oktober ben ik in Brussel naar een concert van Ska-P geweest. De band maakte furore in de jaren negentig en ik leerde ze kennen nadat ik The Locos (een sideproject van de zanger van Ska-P) zag op Festival Dour 2006. Dit is geen musical review blog, dus ik zal mijn beschrijving beperken tot de opmerking dat ze vrolijk klinkende, Spaanstalige maatschappijkritische liedjes maken.

Waarom weet ik niet, maar ongeveer vanaf de tijd dat ik naar dat concert in Brussel ben geweest, bewaar ik de toegangskaart in mijn schoolagenda. Het ding ligt daar tussen allerlei andere papieren en het ligt mij niet in de weg, zodat het blijft waar het is.
Naar het kaartje in mijn opengeslagen agenda wijzend zei dinsdag ineens een jongen:
'Hé, Ska-P! Die zijn echt vet.'
Hij is een jaar of achttien, dus hij zou Ska-P nog bewust meegemaakt kunnen hebben, flitste het door me heen, maar eigenlijk vermoedde ik dat hij zo'n jongen is die steeds actief op zoek gaat naar nieuwe muzikale ervaringen. Enthousiast (en om de patser uit te hangen) vertelde ik hem waar en wanneer ik ze heb zien optreden 'en vrijdag ga ik er weer heen, in Amsterdam, samen met mijn zoon'.
We praten even over Ska-P in het algemeen. Hij vertelt dat ze ook een sideproject hebben onder de naam "The Locos" en als ik er nog een vette schep bovenop doe door te vertellen dat ik die óók gezien heb, zegt hij:
'Ik voel eerlijk gezegd wel wat jaloezie opkomen'.

Het is vrijdag. De wekker verscheurt het niets, hetgeen uit de aard der zaak slechts een constatering achteraf kan zijn. Ik voel het meteen: foute boel. Bovenin mijn schedel zit een zware, alle aandacht opeisende hoofdpijn. Voorzichtig ga ik zitten. Nee, het is geen vergissing, in tegendeel, ik moet mijn hoofd met twee handen ondersteunen om te voorkomen dat mijn los hangende hersenen niet in botsing komen met het dak van mijn schedel. Met moeite vergaar ik uit flarden van herinneringen een beeld van de dag die voor mij ligt. Met mijn hoofd in mijn handen zoals ik deed wanneer ik een kater had maar dat is lang geleden en gisterenavond dronk ik niet meer dan een half wijntje, strompel ik naar de medicijnkast en neem er een kaartje met nog zes ibuprofens uit. Om te beginnen slik ik er twee, maar drie kwartier later is de hoofdpijn niet minder geworden. Inmiddels heb ik gedouched en licht ontbeten.
Moet ik me vandaag dan maar ziek melden? Ik kan zo niet voor de klas gaan staan. Zijn er zaken die niet gemakkelijk kunnen worden uitgesteld? Ja dus: twee eerste klassen die ik moet vertellen wat ze voor hun toets moeten leren en een afspraak met ouders. "Ziek zijn overkomt je, maar ziek melden is gedrag", bedenk ik mij maar wat mij vooral voor ogen staat: vanavond Ska-P in de Melkweg! Ik slik nog een ibuprofen. Een golf van misselijkheid gaat door mijn lijf.
Eenmaal op school aangekomen, merk ik dat de hoofdpijn een ietsjepietsje minder hevig is. Ik neem nog een ibuprofen. Het eerste lesuur doe ik rustig aan. De hoofdpijn maakt plaats voor ganzeveren. Zweverig draai ik het tweede, derde en vierde uur. De brugklassers merken aan mij dat ik "vaag" doe. Ik leg ze uit waardoor het komt en ze hebben er begrip voor, houden zich gedeisd, wensen mij beterschap. Jawel, de leerlingen bij ons op school zijn bijna altijd aardige, vriendelijke jonge mensen.
Met scherpe, stalen klauwen omklemt het monster in mijn hoofd opnieuw mijn grijze massa. Er zit niets anders op, ik zal mijn zoon moeten gaan bellen dat het voor mij vanavond waarschijnlijk niets wordt. Gelukkig zou er nog een vriend meegaan, zodat hij niet alleen hoeft of nog erger: in dat geval dan ook maar niet zou gaan. Nee, hij vindt het prima als er in mijn plaats een leerling van achttien mee zou gaan, zegt hij desgevraagd. Ik zoek de jaloerse jongen van afgelopen dinsdag op en vertel hem het grote nieuws:
'Als je wilt, kun je mijn kaartje overnemen, ik ben zelf namelijk ziek.'
Jammer, hij heeft al iets, hij kan niet.

Om half drie zit ik tegenover de ouders met wie ik een afspraak had en hun dochter, een mentorleerling van mij. Ik hoor ze praten en mezelf antwoord geven, maar het lijkt van erg ver te komen. En daarna kan ik naar huis. De avond breng ik slapend door op de bank, maar niet voordat ik eerst naar het toilet ben geweest om eindelijk over te geven.
'Het was supervet', vertelt mijn zoon de volgende dag. Hij baalde nogal dat ik niet mee kon, maar ik heb hem op het hart gedrukt er volop van te gaan genieten en dat heeft ie kennelijk gedaan. Mijn ticket heeft hij nog kunnen verpatsen voor dertig euro.
Het is zaterdag. Ik heb lang geslapen en ik voel mij kiplekker.
________________________


________________________

woensdag 4 februari 2009

Één lesuur.

Zodra ik het lokaal binnenkom, stellen twee leerlingen zich op naast mijn bureau, elk met een pen in de hand. Eén van hen sprak mij gisteren in de mediatheek al aan om te vertellen dat ze voor vandaag toets had afgesproken met mij en hoe dat nu moest want ze was overgeplaatst van de vierde naar de vijfde. Nee, vrijdag in haar nieuwe klas kon het niet, want, legde ik uit:
‘Daar ben ik met andere dingen bezig, ik heb er een planning gemaakt die geen ruimte geeft om iets anders tussendoor te doen’.
Op het moment dat ze er tegen mij over begon, was ik druk in de weer met iets anders.
‘Eh, ik weet het even niet’, was het enige dat ik zo één, twee, drie wist uit te brengen.
Of het dan misschien in één van mijn mediatheekuren kon? Om daar antwoord op te kunnen geven, zou ik mijn agenda moeten pakken en die had ik niet bij mij.
‘Kan het niet gewoon morgen in je oude groep?’ vroeg ik: ‘Dat je daar nog voor één keer naar toe komt?'
Zij had haar agenda wel bij zich, ze keek er in en zag welk vak ze dan volgens haar nieuwe rooster zou hebben, maar ook dat ze nog geen boeken had voor dat vak, dus dat ze eigenlijk niet veel zou kunnen doen. Dat was dan geregeld.
‘Nog wel eerst met die collega bespreken, hoor, niet zomaar op eigen houtje wegblijven daar’, riep ik haar nog na.

Ik kijk het lokaal rond en zie dat veel leerlingen sinds de vorige keer uit deze klas zijn verdwenen, die zijn allemaal over naar de vijfde en ik zie dat er ook twee nieuwe leerlingen uit de derde zijn bijgekomen.
Snel trek ik mijn bureaulade open, gris er een aantal toetsvelletjes uit, geef elk van de leerlingen twee velletjes. Uit de kast pak ik de map met toetsen. Ze moeten in stilte kunnen werken, vind ik. Ik wil snel op zoek naar een leeg lokaal of een ander stil hoekje in de school.
‘Hier zijn onze opdrachten, meneer, die moesten we eerst nog inleveren. Kijkt u het deze les even na? Dan kunt u aftekenen dat we het gemaakt hebben.’ Ze leggen hun spullen op mijn bureau.
Inwendig zucht ik en been dan met grote passen het lokaal uit, de twee leerlingen volgen mij. Aan het einde van de gang tref ik een leeg lokaal aan. Één leerling kan hier aan de slag. Het arme kind dat mij verder volgen moet op zoek naar nog een rustig plekje kan mij nauwelijks bijhouden. Boven bij de docentenwerkruimte vind ik een tafel met een stoel voor haar.
Bijna in looppas haast ik mij terug naar mijn lokaal. De nieuwe leerlingen moeten takenbladen en studiewijzers krijgen en ermee op weg geholpen worden. En dan is er de groep die vóór de kerst uit de derde is overgekomen. Die komen er steeds al min of meer bekaaid vanaf, omdat ik druk ben geweest met de leerlingen die over moesten naar de vijfde.
Ach, ik wist wel dat er weer een hergroepering op stapel stond, dat was ons per e-mail verteld. Toch voelt het als een overval. Ik ruk de deur van mijn lokaal open, storm naar binnen en zie een jongeman naast mijn bureau staan, die mij doodleuk vertelt dat hij toets komt doen. Ja, hij stond inderdaad ingeschreven voor vandaag. Ik doe boos tegen hem, vertel hem dat je het niet kunt maken te laat te komen voor een toets, dat je dat straks bij het examen ook niet hoeft te flikken, dat ik eigenlijk een 1 zou moeten noteren. Hij kijkt bedremmeld, trilt zelfs een beetje. Onmiddellijk voel ik spijt over mijn harde toon. Met veel poeha maak ik hem duidelijk dat ik te goed ben voor deze wereld en vooruit dan maar enzovoort.
'Je moet dan natuurlijk wel je uitgewerkte opdrachten en je cijferkaart hier achterlaten', voeg ik er aan toe. Hij begint aan een uitgebreide speurtocht tot in de diepste krochten van zijn smoezelige rugzak. Inwendig sta ik onder stoomdruk, wat ik natuurlijk professioneel weet te verbergen. Wanneer hij tenslotte het vereiste papierwerk gevonden heeft, volgt opnieuw een speurtocht naar een rustige locatie en we vinden er zowaar nog één.

Ach, wat een brave leerlingen zijn de achtergeblevenen toch.
Ze zitten rustig te werken op één leerling na. We hebben nog 35 minuten tot onze beschikking. Aan de twee nieuwelingen beloof ik dat de laatste tien minuten voor hen zijn, want ik moet dringend een aantal dingen uitleggen aan de grotere groep. Beetje jammer dat van de grotere groep er twee leerlingen niet zijn. Die zal ik dan apart nog weer een keertje bij moeten praten. Juist als ik adem gehaald heb om uitleg te gaan geven, staat een leerling op, loopt op mij af en steekt een arm uit. In haar hand houdt ze een schrift en een aftekenkaart.
‘Kunt u dit aftekenen, meneer?’ Ze heeft haar opdrachten gemaakt en dan moet dat op een cijferkaart worden genoteerd en ik moet het ook in mijn eigen administratie bijhouden.
Een vluchtige inspectie van haar werk leert mij dat er nog wel het één en ander aan mankeert. Met name één ding valt mij op en daar haak ik dan meteen maar “klassikaal” op in, door toe te lichten hoe je die opdrachten zo kunt maken dat je er optimaal profijt van hebt bij het leren voor je toets. Eindelijk kan ik dan beginnen aan de uitleg over opdracht 5, in overeenstemming met het programma dat ik voor deze les in gedachten had. Een blik op mijn horloge leert mij dat ik niet verder zal kunnen komen dan een inleiding. Als ik eenmaal bezig ben, stel ik tussendoor vragen aan leerlingen die daar uitgebreider op ingaan dan gezien de tijd wenselijk is, terwijl het juist prettig hoort te zijn als leerlingen zich betrokken tonen. Nog zeven minuten heb ik als ik met mijn uitleg op een punt bent aangeland waar ik goed kan stoppen om de draad volgende les weer op te pakken.

De nieuwelingen krijgen van mij de benodigde papieren. Eigenlijk moeten ze dit moduul beginnen met het bekijken van de film “Yasmin”, over een jonge, goed geïntegreerde moslima in een Britse industriestad. Een beknopte beschrijving van veel knelpunten die optreden wanneer twee verschillende culturen tot elkaar zijn veroordeeld binnen één samenleving krijgen ze er op een A-4tje bij en de kijkopdracht bij de film luidt: noteer elke gebeurtenis uit de film waarvan jij denkt dat die samenhangt met één of meer van de knelpunten en vermeld erbij om welk(e) knelpunt(en) het gaat. Die opdracht kunnen ze uiteraard niet zonder voorbereiding uitvoeren en voor die voorbereiding heb ik tijd nodig. Ik zal de knelpuntenlijst met ze moeten doornemen. Ze vertellen mij dat er binnen afzienbare tijd nog meer leerlingen uit de derde komen. Tja, wanneer dan? Ze weten het ook niet precies. Komende week moet ik dat dan eens aan de leerprocesmanager van de derde jaarlaag vragen.
Omdat het vanwege verschillende voor de hand liggende redenen handiger is als ik ze tegelijk met de nog te verwachten leerlingen naar "Yasmin" laat kijken, kunnen ze maar beter met de opdrachten beginnen in plaats van met de film, maar één van hen heeft het boek voor mijn vak nog niet binnen van boekenhuis "Iddink".
`Ja, het is wel besteld, meneer.’
Voor de zekerheid leg ik toch maar uit hoe ze de opdrachten moeten maken. Ik heb dat een half uurtje geleden aan de anderen uit deze klas uitgelegd, maar toen letten deze twee niet op, omdat ze niet wisten dat dat ook al voor hen bestemd zou kunnen zijn en ik had er ook even geen erg in. Ze zaten op dat moment ijverig voor een ander vak te werken met muziek in hun oren, in afwachting van uitleg die ik dus op datzelfde moment aan het geven was. Toch zie ik kans om een turboversie van de benodigde toelichting bij de opdrachten erdoorheen te jagen.

De bel toetert en ik zit middenin het lokaal, middenin een zin, bij de leerlingen aan tafel. Ik kijk achterom en zie dat mijn spullen over mijn bureau verspreid liggen. Open mappen, papieren, werk van leerlingen, mijn laptop. Een van de leerlingen die toets aan het doen was, komt binnen. ‘Kan ik mijn werk weer meenemen, meneer?’ Dat kan dus niet, want ik ben er niet aan toegekomen om naar het werk van welke leerling dan ook te kijken. Dus beloof ik dat ik het later op de dag bekijk en dat ik het terug zal leggen in het postvak van hun klas. Ik pak mijn spullen in terwijl er met veel herrie een brugklas binnenkomt. De collega die hen les gaat geven maakt een grapje:
‘Ik kom jou wegjagen’.
Het is ook een grapje, wat niet wegneemt dat ik mij opgejaagd voel.
Niet vergeten toetsen mee te nemen, hou ik mijzelf voor, want in de mediatheek zitten twee leerlingen op mij te wachten om een toets te maken. Ook heb ik er een afspraak met een mentorleerling, de mentoraatmap moet dus ook mee. Met mijn armen vol papieren en mappen, en mijn tas met laptop over mijn schouder wil ik het lokaal verlaten. Mijn collega vraagt wat dat voor tassen zijn die hier nog staan? Oh ja, die zijn van die twee die nog toets aan het maken zijn.
‘Wil je ze alsjeblieft daar in het hoekje zetten?’ vraag ik.
Er zitten drie leerlingen op mij te wachten in de mediatheek. Twee hebben een lesuur nodig voor het maken van die toets. Ik heb haast. Een van de twee leerlingen die nog met de toets bezig was, komt er net aanlopen. Ik neem de toets in ontvangst. Tja, die laatste toets moet ik toch ook eerst hebben. Dan maar een omweg maken om hem ter plekke op te halen. Die jongen was tenslotte zelf te laat, dus de beschikbare tijd is nu wel om.

Daar ga ik dan. En over één lesuur zit ik weer gewoon in hetzelfde lokaal waaruit ik nu hals over kop moet vertrekken.
________________________


________________________

zaterdag 31 januari 2009

Ziel en lichaam (1)

Op vijftig stellingen die elk een mensbeeld vertegenwoordigen moeten de leerlingen schriftelijk in drie regels reageren door te vertellen of en waarom ze het er wel of niet mee eens zijn. In de les discussiëren we over enkele van deze stellingen die zij zelf uit de lijst selecteren. Zo bereiden zij zich voor op een studie van het denken over de mens binnen het humanisme. Dat zo’n discussie soms een andere kant op kan gaan dan ik voorzien had, blijkt wanneer de leerlingen kiezen voor de stelling “lichaam en ziel werken tijdens een mensenleven tijdelijk met elkaar samen”. Ik denk dan aan de eeuwenoude discussie over dualisme, die al woedde toen Aristoteles het met Plato oneens was, aan Descartes die dacht dat de verbinding tussen ziel en lichaam in de pijnappelklier te lokaliseren is, aan Merleau-Ponty die een dubbelzinnige twee-eenheid zag in lichaam en ziel of aan Ryle die het dogma van de geest in de machine verwierp.

Helemaal vreemd aan de filosofie is het gesprek dat zich ontwikkelt ook weer niet, want het gaat al snel over de (on)sterfelijkheid van de ziel en dat is inderdaad gedurende enkele millennia het punt geweest waar het om draaide als het over lichaam en ziel gaat. Dat ik de argumenten die leerlingen aanvoeren om te pleiten voor onsterfelijkheid niet had zien aankomen, ligt aan mijn kortzichtigheid, want ik had kunnen weten waar zij hun informatie vandaan halen: de tv. En op tv blijkt in verband met het onderwerp waar we het over hebben het programma “The Ghost Whisperer” van Derek Ogilvie hoge kijkcijfers te scoren. Tot op dit moment heb ik nog nooit van het programma gehoord. Het begint ermee dat een leerling “Char, Het Medium” ter sprake brengt. Klasgenoten weten onmiddellijk te vertellen dat Char is ontmaskerd en iedereen had toch altijd al kunnen zien dat zij nep is? Wat doet ze nou helemaal? Een letter gokken en dan nog een beetje verder gokken net zo lang tot iemand een naam weet van een overledene die met die letter begint. Ja, ja, dat kan iedereen. (Typisch dat ik nou net weer wel de uitzending van “Zembla” heb gezien waarin haar werkwijze werd geanalyseerd.) Nee, dan Derek Ogilvie. Ik vraag waar die man vandaan komt en verneem dat hij uit Engeland komt en in Nederland werkt. Wat is er dan zo speciaal aan hem dat hij geloofwaardiger is dan Char? Ook daar krijg ik uitleg over: ‘hij weet dingen over mensen die hij niet kán weten, meneer’. Ik krijg het advies om op “RTL Gemist” een aflevering van zijn programma te bekijken en in een en dezelfde adem vragen de leerlingen of we niet de volgende les samen ernaar kunnen kijken? We zitten dan toch in het lokaal met het smartboard. Na een kleine aarzeling zeg ik ze dat toe.

Onderwijs is levendig, onderwijs is inspelen op interesses en belevingswereld van leerlingen en ik zie het als een uitdaging om dit zo te doen dat de eindtermen van het onderdeel waar we mee bezig zijn hoe dan ook worden bereikt. Ik klim thuis achter mijn pc en kies op de site van RTL een willekeurige uitzending van “The Ghost Whisperer”. Wat ik te zien krijg, overtreft mijn inschatting. Een minuut of vijf van het programma analyseer ik grondig door steeds de streaming video even stil te zetten, terug te spoelen en stukjes te herhalen, ondertussen schrijf ik drie kantjes A4 vol met aantekeningen. Wel krijg ik telkens de mededeling ‘closed’ te zien en dan kan ik niet verder. Ik moet eerst afsluiten en opnieuw beginnen. Zou dat aan de applicatie liggen waarmee de video wordt afgespeeld? Als ik een uitzending van het “RTL weer” op dezelfde manier probeer te behandelen, levert dat geen enkel probleem op. Eindeloos kan ik doorgaan met stop zetten, terugspoelen en herhalen.

Tegen een leerling die ik een paar dagen later in de mediatheek tegenkom, zeg ik dat ik inmiddels naar Derek Ogilvie heb gekeken. Ze vraagt nieuwsgierig wat ik ervan vond. ‘Dat vertel ik volgende les wel’, zeg ik.

________________________
Wordt vervolgd.

________________________

Ziel en lichaam (2)

(Vervolg van vorig bericht)

‘Als er mensen zijn die liever niet naar een programma kijken waarin geesten worden opgeroepen omdat je geloof dat niet toelaat of misschien vanwege ervaringen die je zelf hebt met dierbaren die zijn overleden of als je bang bent dat je er slecht van zult slapen dan mag je nu het lokaal verlaten’, zeg ik.
Alle leerlingen blijven zitten.
Eerst bekijken we zonder onderbrekingen de vijf minuten van “The Ghost Whisperer” die ik thuis heb geanalyseerd . Opnieuw stel ik daarna de leerlingen in de gelegenheid weg te gaan, dit keer voor het geval ze liever niet het risico lopen hun geloof in Derek Ogilvie te verliezen.
Een meisje twijfelt, maar als ik haar aanmoedig naar de gang te gaan, blijft ze toch liever zitten. Ondanks dat ze horen wil wat ik te zeggen heb, vindt ze het wel jammer, zegt ze.
Niet voordat ik heb uitgelegd dat het menselijk verstand een centrale waarde is in het humanisme en dat humanisten oproepen steeds je verstand te gebruiken als je informatie tot je neemt en vooral als je levensvragen beantwoordt, kunnen we beginnen aan de analyse.

Het programma opent met een spannende tune. Er worden beeldfragmenten van emotionele momenten vertoond, een vrouw vertelt dat haar zoon door een messteek om het leven is gekomen, we zien een foto van de jongen. Ononderbroken klinkt er een sfeermuziekje. Snelle beelden, versnellende muziek, type opening van een actualiteitenrubriek, teksten zoals “geboren met een gave”, “onverklaarbare gebeurtenissen”, “beschermengelen” en “overleden geliefden”. Een voice-over vertelt dat Derek met zijn gave het land rond reist om mensen te helpen. Zijn werkterrein is het theater, de 300 mensen in de zaal kent hij niet. Het is zonder enige voorkennis van hun verhalen dat hij contact zal proberen te krijgen met de geesten die ze bij zich hebben.

Tussendoor zet ik de film een paar keer stil om de leerlingen te attenderen op dingen die mij zijn opgevallen. Bijvoorbeeld dat alles wat ze zien gemonteerd is, dat teksten je kunnen beïnvloeden zonder dat je het merkt doordat je aandacht gericht is op de beelden, dat - om te beoordelen hoe objectief informatie is - het raadzaam is je af te vragen wie het programma maakt en hoe dingen worden gebracht en dat het hier niet gaat om een documentaire, maar om een theatershow van een commerciële omroep die hoge kijkcijfers nodig heeft voor de opbrengsten van reclames.

Derek komt de zaal binnen onder een staande ovatie, drentelt rond, maakt grapjes en dan begint het. De voice-over vertelt ons hoe wij moeten interpreteren wat we gaan zien: ‘Derek krijgt contact met een mannelijke spirit’. Het commentaar blijkt niet overbodig want Derek zegt dat hij ene Piet zoekt, maar niet dat deze Piet een geest is. Als we elke paar seconden het beeld even stilzetten, merken we dat Derek de suggestie weet te wekken dat hij van alles weet over deze Piet zonder dat hij ook maar één bijzonderheid zelf vertelt. Alle informatie komt van de nabestaande op de tribune. We zien hoe de nabestaande de microfoon al voor de mond heeft als zij in beeld komt, we horen op een bepaald moment zelfs dat zij wordt gesouffleerd. Derek stelt vragen, doet soms iets dat op een veilige gok lijkt maar het is niet zeker of er niet veel meer is gezegd dan wij te zien krijgen. En de vrouw vertelt hem zoveel hij maar horen wil. Derek maakt enkele keren een triomfantelijk gebaar. Het publiek klapt.

Eén ding springt eruit: Derek vertelt de vrouw dat Piet haar zoekt. Piet kan haar niet vinden terwijl enkele minuten geleden werd beweerd dat Derek contact krijgt met de spirits die de mensen bij zich hebben. Hij doet ook net of hij van Piet allerlei bijzonderheden over de vrouw verneemt (die zij hem zelf vertelt). Een leerling merkt op hoe vreemd dit is. Hoe kan die Piet (en laat staan Derek) dat allemaal weten als hij niet weet waar zij is?

Sommige leerlingen maken tegenwerpingen. Dit is een slecht voorbeeld. Er zijn toch echt dingen die hij van mensen wist zonder dat hij die kon weten. En of ik alleen dit heb bekeken of nog meer? Ik heb inderdaad meer gezien, bijvoorbeeld de naam van iemand uit het publiek van wie Derek dingen wist. Ff googlen en ik kan zelf die persoon een reading afnemen.
‘Tjonge, ik denk daar allemaal nooit bij na, ik kijk er gewoon naar’, hoor ik een leerling zeggen.
De bel gaat. De klas vertrekt. Een lesuurtje per week heb ik, zeg maar drie kwartier effectieve lestijd.

Tijdens het schrijven van dit verhaaltje raadpleeg ik “RTL Gemist” nog even. Na enkele keren pauzeren blokkeert de video. Ik log uit en in, probeer het een tweede keer. Maar het is gedaan, het beeld blijft zwart.
________________________
De naam “Piet” is verzonnen.

________________________

vrijdag 23 januari 2009

­­­­­Surveillance

Een collega vertelde mij ooit een bizarre anekdote. Hij had zijn dochtertje geleerd snoeppapiertjes niet op straat te gooien. ‘Als er geen prullenbak in de buurt is dan geef je het maar aan papa of mama’, zo had hij haar geïnstrueerd. Het brave kind zat in groep 4 van de basisschool toen ze een keer samen met haar klas van het schoolgebouw over de openbare weg naar de gymzaal liep. Mooie gelegenheid om iets lekkers naar binnen te werken en het papiertje gaf ze aan de juf, die er verbaasd naar keek en het op straat gooide.

Vandaag heb ik surveillance. Op elke tafel in de kantine staan twee afvalbakjes. Om de paar meter staat een vuilnisbak. De leerlingen hoeven hun arm vanaf maar weinig posities meer dan half te strekken om het plastic waarin hun repen en koeken gezeten hebben samen met de afgekloven kleffige korstjes van hun boterhammen níét op de grond te laten belanden.

Er liggen een papiertje van een Milky Way, een boterhamzakje, een platgetrapt kauwgumkaartje en een leeg Wickypakje waar nog een rietje uitsteekt verspreid over de vloer, tussen pratende en lachende leerlingen, het kauwgumkaartje zelfs tussen iemands voeten. Aan geen van de leerlingen in het bijzonder vraag ik om die zooi even op te rapen en in de vuilnisbak te gooien. Niemand voelt zich aangesproken, althans niet op de manier die ik had gewenst. Ze kijken wel naar me, maar dan alsof ze proberen in te schatten of ik het was die dat rare geluid voortbracht dat hun gesprek verstoorde. Ik verander van tactiek. Ik wijs een leerlinge aan en vraag hoe ze heet. Ze noemt aarzelend haar naam. ‘Mooi, Jetteke’, zeg ik: ‘Raap jij dat en dat en dat eens op en gooi het waar het hoort, wil je?’ Maar Jetteke voelt zich onheus bejegend want zij heeft dat daar niet neergegooid en als ik het vraag, heeft ze ook geen idee wie dan wel en pas als ik dreig met strafcorvee bukt ze steunend en kreunend en namopperend over “niet eerlijk” en “slavenbehandeling” om te doen wat ik haar kennelijk volkomen ten onrechte heb opgedragen.

Aan het einde van de pauze zeg ik tegen iemand van het onderwijs ondersteunend personeel:‘Het helpt wel dat er zoveel afvalbakjes en vuilnisbakken staan hè? Er ligt bijna nergens troep’. Daar denkt de aangesprokene anders over. Volgens hem komt het doordat ik de hele tijd streng kijkend rondloop. Hij vertelt dat er ook collega’s zijn die nergens op letten en dan ligt er net zoveel afval naast de bakjes als erin en bijna nog meer vuilnis op de vloer dan in de bakken. Hij kijkt er een beetje wanhopig bij. Over wie hij het meest wanhopig is, de leerlingen of de collega’s, kan ik moeilijk inschatten.

Als je het aan mij zou vragen, dan zou ik zeggen dat ik eerder baal van leerlingen die er een zwijnenstal van maken dan van een of andere collega die niet altijd even oplettend is. Want ja, het is de schuld van de leerlingen dat ik moet surveilleren, zij maken er een bende van. En dan moet ik weer aan die juf denken die het papiertje van het dochtertje van mijn collega op straat gooide. Ik zucht. Ik weet ineens niet zo zeker meer wiens schuld het is. Wanneer, hoe, door wie en waarom is ooit het eerste vuil achteloos op de schone straten van één van onze steden gesmeten? Hoe zag het zondige afval eruit na hetwelk het ooit zo propere Nederland voorgoed onbereikbaar is geworden en dat wat er nog van over is moet worden bewaakt door surveillerende docenten?

Hoe vaak ik leerlingen er ook op wijs dat ze nooit meer zouden hoeven corveeën als ze geen rommel zouden maken, het overtuigt hen niet. ‘Dat doen wij niet, meneer’, roepen ze om het hardst. Als ik vraag wie dan wel, dan weten ze het ook niet, maar zij in elk geval niet. Mij rest geen andere conclusie dan dat het een mysterie is, die vuilnisbelt die “niemand” er van maakt.

________________________

Jetteke is een verzonnen naam.
________________________

zondag 18 januari 2009

Tekst, tekst en nog eens tekst

Vandaag zat ik te studeren op het vak ‘psychologische antropologie” (zeg maar de studie van hoe de mens geestelijk in mekaar zit) , maar het lukte niet zo goed. Ik probeerde een rijtje “persoonlijkheidsfactoren” uit mijn hoofd te leren door te onthouden hoe ze in het boek werden beschreven. Maar in mijn hoofd dwarrelden gedachten die er niets mee te maken hadden als sneeuwvlokken door de lucht, daarbij de woorden en zinnen die ik bestudeerde verdringend.
Ik zei tegen mezelf dat ik mij concentreren moest. ‘Het móét’, zei ik streng. Aanstaande woensdag is het examen. Uitstellen kan niet. En ineens begreep ik de leerlingen op het Roncalli een stuk beter. Want wat zou ik doen als ik wel kon uitstellen? Het antwoord durfde ik niet te geven.

Opnieuw boog ik me over mijn boek. Dit vak lag mij niet zo. Toen het weer niet lukte, besloot ik hardop te gaan lezen. Hoe deden de leerlingen bij mij op school dit? Ze hadden natuurlijk een jonger stel hersenen dan ik, maar ik schatte in dat ze ook vaker te maken hadden met leerstof die ze niet interesseerde. Ik had tenslotte zelf voor deze studie gekozen en was er ook meer dan gemiddeld in geïnteresseerd. Dit vak was dan wel niet mijn favoriet, maar het was ook weer niet zo dat het me totaal niet boeide.

Maar goed, morgen moest ik weer werken. Vandaag moest ik studeren. Het was verbazingwekkend hoe vindingrijk mijn hersenen waren nu ze niet wilden doen waartoe ik ze probeerde te dwingen. De gekste dingen kwamen in mij op. Alles om me heen in mijn kleine gesloten studeerruimte was interessanter dan de hoofdstukken op mijn bureau, de kennis die ik over drie – drie nog maar! – dagen op grote, lege vellen A-4 papier zou moeten schrijven onder het streng toeziende oog van de docent.

Tekst, tekst en nog eens tekst. De docent van dit vak had er nooit iets meer van gemaakt dan dat. Hij kende zijn boek uit zijn hoofd en dreunde college na college de inhoud ervan op. En nu moest ik dat herkauwen.
Ik herinnerde mij dat ik onlangs ergens een onderzoek had gelezen dat uitwees dat leerlingen van tegenwoordig op een andere manier informatie verwerven dan via lappen gedrukte tekst. Ze zijn in hun vrije tijd aangesloten op een ipod, terwijl ze op internet informatie zoeken voor een “onboeiend” verslag dat ze moeten maken voor Levensbeschouwing, ondertussen “poppen er msn-venstertjes up” . Hun gsm ligt stand-by op hun bureau. De tv staat ook aan, maar dat is alleen voor de bewegende beelden. Jammer voor hen dat wij ze onze leerinhouden desondanks op de klassieke manier opdringen. Boeken, stencils, oefeningen. En we begrijpen het niet als ze beweren dat ze met muziek beter kunnen studeren dan zonder. Op school snijden wij ze af van hun digitale netwerk. De ipod moet af, de gsm moet uit, pc’s hebben we niet in de vaklokalen. Ze moeten luisteren naar mij of anders moeten ze stil aan het werk zijn. Uit hun boek. Teksten bestuderen. Oefeningen maken over de teksten. En tijdens vergaderingen met collega’s verbazen wij ons er over dat de leerlingen tijdens onze lessen iedere keer maar weer naar de mediatheek willen.

Ik speelde met de gedachte muziek aan te zetten, want nu ik mij maar niet concentreren kon, dacht ik mij ook ineens vaag van een of ander onderzoek te herinneren dat je met muziek erbij beter stof opneemt. Ik probeerde het zelfs en het liep heel snel op niets uit doordat ik wilde lúísteren naar de muziek.

Inmiddels was het een uur later en ik had nog geen letter extra opgenomen.Het idee begon post te vatten dat het geen zin meer had. Het was teveel, de tijd was tekort, wat had het nog voor zin om mijn best te doen? Dan maar een onvoldoende zonder te leren, dan had ik tenminste nog een leuke zondag gehad; alles beter dan de hele dag worstelen en alsnog een slecht cijfer halen.

Nu is het half tien 's avonds en ik kan melden dat het me toch gelukt is om te studeren. Ik vraag me af hoe ik dat voor elkaar heb gekregen? Eh... om te beginnen heb ik gedachten die alsmaar in me opkwamen opgeschreven om meteen daarna de aanvoer van prikkels in te perken: pc uit (als je je pc nodig hebt voor je werk, kun je ook msn en hyves uitzetten uiteraard), gsm ff ergens anders neergelegd. En hoe zit het met muziek? Tja, dat lijkt toch echt een persoonlijke kwestie te zijn. Nou, en toen ben ik gaan zitten blokken, soms hardop, soms met pen en papier. Als ik een stuk had doorgenomen, herhaalde ik het voor mezelf. Elk half uur ging ik even pauzeren.

Vanaf 13 februari worden de resultaten van de examens bekend gemaakt op "blackboard", de digitale omgeving van de universiteit. Duim voor me als je wilt.
________________________

________________________

zaterdag 17 januari 2009

Meer werken voor meer vrije tijd

Veertien jaar geleden begon ik in het onderwijs, 33 jaar oud was ik en ik had er 17 jaar werkervaring in de binnenvaart opzitten. We werkten er week-op-week-af, dus ik was 26 weken per jaar vrij. Aan wie ik dit ook vertelde, nooit was er iemand die vond dat mijn leven uit vakantie bestond. 'Tijdens die week aan boord verdien je die week thuis dubbel en dwars terug, neem ik aan', zeiden de mensen. En gelijk hadden ze. We verdienden zelfs nog een dik pak overwerk er bovenop.

Elke werkdag sta ik tegenwoordig om 06:00 uur op, ongeacht mijn lesrooster wil ik om 08u20 beginnen. Er is altijd genoeg te doen, meestal nakijkwerk. Dus ga ik bijtijds douchen, ontbijten, lunchpakketje klaarmaken, bakkie drinken en meestal op de fiets naar mijn werk.
Maar voor het zover is, lees ik de krant. Ik ben geabonneerd op Trouw, want daar staat veel in over het vak dat ik geef: Levensbeschouwing.
Eigenlijk ben ik dan al begonnen met werken. Van de 1659 klokuren die ik voor mijn salaris per jaar moet maken, zijn er 183 bestemd voor deskundigheidsbevordering. Per week bestudeer ik gemiddeld 4 uur de krant, waarvan grofweg de helft voor rekening van mijn groeiende deskundigheid komt, toch zo'n 104 klokuren op jaarbasis. Met hetzelfde gemak zou ik kunnen verdedigen dat ik met 208 uur krant lezen al meer dan voldoende tijd in de bevordering van mijn deskundigheid heb gestoken. Want als ik deze baan niet had, met welk doel zou ik dan op de hoogte moeten willen blijven van wat er in de wereld gebeurt?

Meestal fluitend en met muziek op mijn oren, fiets ik naar school. Het is nog donker, regelmatig moet ik inhouden voor laks fietsende schooljeugd, bulten vol boeken op hun rug. Voor hen is een nieuwe dag van sociaal netwerken begonnen bij het eerste meetingpoint dat ze passeerden, msn-gesprekken van de vorige avond worden in real life voortgezet.
Kwart over vijf, weer net zo donker als vanmorgen, terug op de fiets naar huis, luister ik naar vrolijke muziek van Ska-P.
De avond besteed ik aan studie. Mijn deskundigheid neemt er hand over hand door toe, maar de 1200 uur die ik er dit schooljaar mee bezig ben, past niet in de tijd die ik heb om deskundiger te worden. Ach ja, ik word er zelf ook een stuk wijzer van natuurlijk.

Toen ik in de krant las dat de Onderwijsraad het een goed idee vindt om leraren minder vakantie te geven teneinde de werkdruk te verminderen, vond ik dat best een raar voorstel, want ik dacht aan de 26 weken die ik ooit per jaar vrij had en dat ik in die tijd alles wat ik toch nog teveel werkte als overwerk kreeg uitbetaald en dat er desondanks nooit iemand tegen me zeurde dat ik altijd vakantie had en dat er nooit een collega over te grote werkdruk klaagde.
Leg dat naast een 36-urige werkweek met 29 dagen en 5 uur (nog geen 6 weken) vrije tijd per jaar of - zoals we het in het onderwijs geregeld hebben - dezelfde 36-urige werkweek geconcentreerd in veertig 41½-urige werkweken met 60 vrije dagen. Door in de rest van het jaar meer te werken, hebben we meer vrije weken. Ik vind het een prima regeling, in veel extremere mate was ik al gewend aan meer werken voor meer vrije tijd.

Op de binnenscheepvaart deed ik thuis niets voor mijn werk. In mijn vrije weken studeerde ik voor iets heel anders, waardoor ik uiteindelijk leraar ben geworden. En ik heb er nog geen seconde spijt van gehad. Alleen krijg ik zo nu en dan wél een sik van mensen van buiten het onderwijs die zich bemoeien met het onderwijs. Daar hadden we op de binnenscheepvaart geen last van, men had amper in de gaten dat wij schippers bestonden.
______________________
______________________